Leestijd: ca. 6 minuten

Ook eerder in de historie schreef men over sociaal gedrag, dit is niet iets dat pas recent met social media is opgekomen. Wel kunnen juist nu oude werken ook weer voor inspiratie zorgen. Daarom een serie die, hoewel vaak te kort van stof om een heel oeuvre recht te doen, probeert een inzicht te geven in bestaande literatuur. Ook in dit derde zal ik, zoals eerder aangekondigd, aandacht besteden aan Émile Durkheim en zijn bekendste werk, ‘Suicide’.

Als een van de grondleggers van de Sociologie was het Durkheim er veel aan gelegen te laten zien dat zo’n nieuwe wetenschapsdiscipline ook bestaansrecht zou hebben. Waar hij zich onder meer op richtte was het idee ‘sociaal feit’. In het vorige deel over Durkheim zagen we al dat zo’n sociaal feit een op zich zichzelf staand observeerbaar feit in de samenleving is dat niet gebonden is aan de acties van ons als individu maar juist onze schijnbaar individuele acties bepaalt. Aangezien ik in deze serie juist de social aspecten van nieuwe media wil belichten en dan vooral hoe vroegere werken helpen deze te begrijpen, is het niet meer dan logisch dat in zijn werk nog wat verder wil belichten.

Oorzaken van zelfmoord, volgens Durkheim

Durkheim wil in zijn boek duidelijk maken dat zelfmoord niet een puur individuele daad is, al zijn zijn bewoordingen uiteraard anders. Het punt is dat ook een schijnbaar zeer persoonlijke beslissing afhankelijk is van sociale invloeden. In ‘Suicide’ zien we zo uiteindelijk vier vormen van zelfmoord, de altruïstische zelfmoord, de egoïstische, de anomische en de fatalistische zelfmoord. De naamgeving “egoïstische zelfmoord” is hier wellicht enigszins ongelukkig gekozen omdat het hier niet om een waardeoordeel over egoïsme gaat, iets waar we in het dagelijks taalgebruik nu wel aan zouden denken. Waar Durkheim precies het onderscheid ziet tussen deze vier vormen kun je uiteraard zelf terugvinden in zijn werk, het gaat er nu om dat hij ook een verschil in zelfmoordratio tussen verschillende landen waarneemt.

Dit verschil wordt uiteindelijk onder meer verklaard door verschil te maken in Protestantse en Katholieke landen, in die tijd een veel duidelijker onderscheid dan nu. In de Katholieke landen was het zelfmoordcijfer lager dan die in Protestantse landen. Het werk laat verder op gestructureerde wijze zien dat de gedachte dat dit wel eens aan sociale cohesie binnen een samenleving kan liggen ook in andere gevallen op gaat. Durkheim concludeert dat de sterkere sociale banden in overwegend Katholieke landen het lager zelfmoordcijfer verklaren. Een uitermate sterk en duidelijk voorbeeld van het idee dat sociale feiten een invloed hebben in de samenleving.

Social facts

Het grote gevaar met een idee als dit, en misschien ook de grootste kritiek op dit werk van Durkheim is dat zulke generieke data niets zeggen over individuele personen. (De ecological fallacy in de statistiek.) Van de andere kant laat het werk, zoals ik beschreef in deel twee van deze serie, ook zien dat uitzonderingen, de individuele daden, nooit te herleiden zijn vanuit generalisaties zoals deze. Of het werk te ver gaat in conclusies trekken over individuele daden of niet, feit blijft dat over de hele samenleving genomen sociale structuren wel hun invloed hebben.

Zo geeft dit belangrijke werk ons dus aan hoe we verder moeten zoeken in sociale netwerken. Weer zien we dat we ons best iets kunnen afvragen over de invloed van externe factoren op het gedrag van mensen. Als je dit op een online omgeving wilt projecteren dan is een van de dingen die in het oog springen de realisatie dat er online ook verschillende ‘samenlevingen’ bestaan, in ieder geval zijn er groepen mensen die op een specifiek netwerk of binnen een community een gemene deler hebben qua gedrag. De waarneming van het sociale feit gaat hier vaak de andere kant op, wanneer online marketeers opvalt dat op site A een andere status quo tot stand is gekomen dan op gelijksoortige site B. Recentelijk is hier weer hernieuwde aandacht voor omdat ze kan verklaren waarom niche-sites mogelijk zijn ondanks het feit dat het internet soms als soms en transparant wordt gezien.

Nu weten we dat dergelijke verschillen kunnen ontstaan door factoren vanuit de (technische) structuur die de community beïnvloeden, maar met het werk van Durkheim in de hand kunnen we verder denken. De uitkomst van bepaald handelen kan ook in een richting dwalen door de sociale conventies die binnen de community ontstonden. Op die manier word er veel indirecter, maar niet minder waarneembaar, invloed uitgeoefend. Wat we hiermee dus geleerd hebben is te durven bevragen waar bepaalde acties door bepaald worden, niet altijd direct door structuur of layout, maar ook indirecter: bepaald door de sociale structuur van een community.

De Serie

Dit is het derde deel van een serie over klassieke werken en hoe deze ook voor nieuwe media tot inzichten kunnen leiden. De vorige delen:

Émile Durkheim: ‘Suicide’ (1)
George Herbert Mead: ‘Mind, Self & Society’

Over de auteur

Gyurka is internetondernemer, hoofdredacteur van een lokaal Rotterdams medium en richt zich met name op nieuws en online communities. Daarnaast was hij columnist op Radio 1 en geeft hij trainingen en gastcolleges over online nieuwsmedia en sociaal gedrag op internet.

2 reacties

  1. Bram Koster
    Bram Koster

    Hoi Gyurka, erg mooie post weer.

    Als ik het goed begrijp, kun je dus al (minimaal) drie verschillende niveaus van invloed vinden in een community:

    1) persuasion (invloed door de functionaliteit van het -online- netwerk;
    2) persoonlijke beïnvloeding (mensen die bewust of onbewust directe invloed hebben op jouw handelen);
    3) sociale structuur, de cultuur die ontstaat uit de interactie van de gehele community.

    Klopt dat een beetje? Of mis ik er bijv. nog een aantal (vast wel).

    Vraagje in dit verband (toepasselijk, zo op, of eigenlijk net na, de dag van de Community Manager): is die sociale structuur te sturen, volgens jou? Of is het een minder grijpbaar fenomeen dat puur ontstaat door hoe de groepsleden interacteren?

    Beantwoorden
  2. Gyurka Jansen

    Ja Bram, ik denk dat je dat grofweg wel zo kunt stellen. Bij die eerste kun je wellicht nog een nuancering aanbrengen in technische functionaliteit en de verdere opzet en layout van het netwerk. En bij die laatste kun je natuurlijk theoretisch oneindig doorgaan: invloed van de acties die onder invloed van… etc.

    Daaromheen heb je dan nog de “schil” van echt externe factoren, of je dat nu als ‘buurnetwerken’ of een soort ‘supernetwerk’ wilt duiden. Ik denk dat je na deze drie artikelen al kunt zeggen dat een van de thema’s is dat je naast directe beïnvloeding ook moet kijken naar de sociale structuur in je community.

    Dit is minder grijpbaar, maar wel te sturen. Zoals je hier ziet zijn de sociale structuren op hun beurt weer gevormd door andere invloeden. Het ‘feit’ zelfmoordratio wordt beïnvloed door de sociale structuur van een bepaalde cohesie. In dit voorbeeld zou je kunnen zeggen dat wanneer Protestanten meer aandacht zouden gaan besteden aan familiebanden dat de zelfmoordradio dus zal verbeteren. Het betreft hier niet echt keiharde cijfers, de bekende vraag “Wat is eigenlijk de ROI van social media?” vind hier denk ik mede haar oorsprong in.

    Ik ben overigens van mening dat het bij dergelijke complexere verbanden goed is mensen in een organisatie te hebben die deze op twee manieren ‘begrijpen’. Ten eerste bekend zijn met dergelijke structuren, en deze eventueel te kunnen onderzoeken. Ten tweede is een bepaalde mate van feeling met de structuren, intuïtie, noodzakelijk. Noem het een ‘expert opinion’, maar iemand die vanuit welke rol dan ook direct voeling heeft met welke groepen er (zijn) ontstaan heeft een enorm voordeel. Al is het maar om sneller een keuze te kunnen maken welke groep wanneer benaderd moet worden.

    Beantwoorden

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.